Richtlijnen voor archeologievriendelijk bouwen

Archeologievriendelijk bouwen is een actueel onderwerp. Terecht, want de druk op het archeologische bodemarchief neemt toe, en daarmee de vraag naar alternatieven. Zeker in historische binnensteden is archeologievriendelijk bouwen zo’n alternatief. Maar wat verstaan we nu eigenlijk onder archeologievriendelijk bouwen? En is het mogelijk om te komen tot een soort van richtlijnen voor deze manier van bouwen?

Bron: Vitruvius nummer 16 juli 2011
Door: drs. M.J. Groenendijk, gemeentelijk archeoloog van Gouda



Om die vragen te beantwoorden heeft het Instituut voor Geo- en Bioarcheologie van de Vrije Universiteit in 2010, op initiatief van het Convent van Gemeentelijk Archeologen, een landelijk onderzoek uitgevoerd naar het archeologievriendelijk bouwen. Door middel van een enquête en diepte-interviews is de mening van archeologisch Nederland gepeild over de noodzaak van richtlijnen voor deze manier van ontwikkelen. Het onderzoek werd afgesloten met een congres, op 10 juni 2010 in Gouda. Inmiddels is het eindrapport van het onderzoek, Richtlijnen voor Maatwerk, afgerond en beschikbaar via www.gemeente-archeologen.nl 1.


De resultaten van dit onderzoek zullen in dit artikel niet uitgebreid worden belicht, maar de algemene uitkomst moet hier wel vermeld. Er blijkt een duidelijke behoefte aan richtlijnen te zijn, maar tegelijkertijd is er nog veel onbekend over het archeologievriendelijk bouwen en de gevolgen daarvan voor het bodemarchief. De vraag is dan ook: hoe nu verder? Geen risico lopen, voorlopig niets doen en eerst meer onderzoeken? Of nu al wel doorgaan met archeologievriendelijk bouwen en die projecten gebruiken om meer te kennis te verwerven?


In Gouda is, op basis van de ervaringen tot nu toe, gekozen voor de tweede optie: we gaan door met archeologievriendelijk bouwen. Sterker nog: er worden concrete richtlijnen voor het archeologievriendelijk bouwen in het beleid opgenomen. Waarom we dat hebben gedaan, welke keuzes daarbij moesten worden gemaakt, welke problemen we tegen zijn gekomen en hoe we
die hebben opgelost, zal in dit artikel worden beschreven.


Waarom opnemen in beleid?
De redenen om richtlijnen voor het archeologievriendelijk bouwen expliciet in het beleid op te nemen, zijn divers. Om te beginnen moet worden gezegd dat de binnenstad van Gouda bij uitstek geschikt is voor archeologievriendelijke bouwplannen. Er is een zeer dik bewoningspakket (drie tot zes meter) aanwezig en het grondwater staat continu op ongeveer 0,5 meter onder het
maaiveld. De conserveringsmogelijkheden zijn dus erg goed, er is nauwelijks sprake van natuurlijke degradatie. Door het dikke, gestapelde bewoningspakket ontstaan er bovendien marges die op bijvoorbeeld de zandgronden niet aanwezig zijn. Bovendien is een opgraving in de binnenstad vaak zo kostbaar dat een archeologievriendelijk alternatief altijd goedkoper zal zijn.


Gouda heeft dus de mogelijkheden, en Gouda heeft ook het geslaagde voorbeeld: het Koningshofproject. Hier is tussen 2004 en 2007 een compleet woonblok op archeologievriendelijke wijze bebouwd. Het was de eerste keer in Nederland dat archeologievriendelijk bouwen op deze schaal, in een historische binnenstad, is toegepast, en uit de evaluatie van de aanpak in 2009 blijkt dat het project ook als geslaagd mag worden betiteld. Archeologievriendelijk bouwen in een binnenstad kan dus, is onze ervaring, en goed voorbeeld doet volgen (zeker als het ook nog eens financieel voordeliger is). De Goudse praktijk leert dan ook dat archeologievriendelijke plannen er na het succes van het Koningshofproject toch wel komen, of er nu beleid voor is of niet. Door aan de voorkant al aan te geven waar de plannen aan moeten voldoen, bieden we handvatten aan ontwikkelaars en voorkomen we een waterval aan plannen die wel archeologievriendelijk lijken, maar het eigenlijk niet zijn. Bovendien zorgt het
voor duidelijkheid: een plan voldoet wel, of het voldoet niet. Nu wordt dat nog per geval bekeken en beredeneerd, en het blijkt lastig om zonder richtlijnen steeds weer consequent te blijven.


De Goudse richtlijnen
Reden genoeg om het zogezegd, ‘gewoon maar eens te gaan proberen’, en richtlijnen voor archeologievriendelijk bouwen in de gemeentelijke verordening op te nemen, voorlopig alleen nog voor de Goudse binnenstad. Die richtlijnen zijn gebaseerd op het bouwplan dat op de Koningshof is gerealiseerd. De basis is het, bij dat project geïntroduceerde, Archeologisch Peil: 50 centimeter onder het maaiveld. Daarboven mag ‘alles’, daaronder ‘niets’. Uitgangspunt daarbij, en dat is inmiddels in Gouda op zeer veel plaatsen aangetoond, is dat de bovenste 50 centimeter van het bodem archief al eerder verstoord zijn door allerlei werkzaamheden. Verstoringen tot 50 centimeter zijn in Gouda archeologisch gezien dus geen enkel probleem.


Diepere verstoringen zijn wel onwenselijk, en om die zoveel mogelijk te vermijden zijn diverse eisen gesteld. Zo moet verplicht gebruik worden gemaakt van bestaande (en dus al verstoorde) kabel-, leiding- en vooral rioleringstracés, om te voorkomen dat nieuwe tracés daar vlak langs worden aangelegd. Daarnaast zijn ondergrondse (parkeer)kelders, kruipruimtes, zwembaden etcetera bij een archeologievriendelijk bouwplan natuurlijk per definitie niet toegestaan. Voor funderingen wordt geadviseerd ze breder en dus minder diep te ontwerpen, zodat de verstoring hiervan zich boven archeologisch peil afspeelt. In combinatie met extra ophogen van het terrein, iets wat in Gouda toch vrijwel altijd noodzakelijk is, kan zo worden voorkomen dat onder het archeologisch peil wordt gewerkt.


De enige diepere verstoringen die vervolgens overblijven, en in Gouda vanwege de slappe bodem onvermijdelijk zijn, worden veroorzaakt door heipalen. Ook met betrekking tot heien stellen de richtlijnen daarom allerlei voorwaarden, uiteenlopend van de soort heipalen, de onderlinge afstand tussen rijen palen tot het niet verwijderen van funderingen maar daar juist dwars doorheen slaan.


Uiteindelijk mag maximaal 5% van de bodem dieper dan het archeologisch peil worden verstoord. Voldoet een plan aan alle gestelde eisen (bovengenoemde zijn de belangrijkste, maar er zijn er meer) dan is archeologisch onderzoek voorafgaand aan het bouwplan niet meer noodzakelijk.


Vriendelijk, sparend of anders?
Om tot bovenstaande richtlijnen te komen, hebben we diverse cruciale keuzes moeten maken. De eerste vraag was al gelijk een lastige: welke naam gaan we hanteren? In bijna elk artikel, rapport of gesprek over het onderwerp komt het tegenwoordig aan de orde: de taalkundige term ‘archeologievriendelijk’. Diverse archeologen zijn van mening dat archeologievriendelijk bouwen niet mogelijk is, omdat er toch altijd een verstoring optreedt en het dus per definitie niet ‘vriendelijk’ is voor de archeologie. Zij zouden de term ‘archeologievriendelijk bouwen’ het liefst vervangen zien door bijvoorbeeld ‘archeologiesparend bouwen’.


Dat de term ‘archeologievriendelijk’ taalkundig de lading niet helemaal dekt is waar, maar hetzelfde kan gezegd worden voor het alternatief. Een archeologiesparend bouwplan verstoort immers ook nog steeds een deel van de archeologie, en in de letterlijke zin van sparen komt er zeker niet méér archeologie bij. En zelfs al zou er een term zijn die wel de lading dekt, dan nog is het een illusie om te denken dat de andere termen daadwerkelijk kunnen verdwijnen. In Gouda staat deze manier van werken immers al sinds 2004 als ‘archeologievriendelijk’ bekend, het is landelijk als naam van een enquête gebruikt, er zijn rapporten en congressen naar vernoemd.


Nu ineens naar archeologiesparend overstappen, zou in Gouda en op veel andere plaatsen alleen maar verwarring wekken. De verschillende termen zullen dus niet verdwijnen, maar tegelijkertijd maakt dat ook niet uit. Alle betrokkenen weten immers heel goed dat er met de verschillende benamingen precies hetzelfde wordt bedoeld: een bouwontwikkeling realiseren waarbij de archeologie onder de bebouwing behouden blijft. Dáár gaat het om, niet om de taalkundige discussie over de termen. Die doet in feite niet ter zake, en zou wat ons betreft beter achterwege kunnen blijven. Voor Gouda was de keuze in elk geval duidelijk: het blijft archeologievriendelijk bouwen heten.


In Gouda worden dit jaar richtlijnen voor archeologievriendelijk bouwen opgenomen in het beleid. Bij het opstellen van die richtlijnen moesten diverse lastige afwegingen gemaakt worden. In dit artikel wordt beschreven hoe dat dat in Gouda is opgelost, welke keuzes er zijn gemaakt en waarom. Doel van het artikel is aan te geven dat het ook in dit stadium al mogelijk is om te komen tot eerste richtlijnen, maar dat de keuzes die daarbij gemaakt moeten worden niet eenduidig zijn en aanleiding kunnen vormen voor discussie. Die discussie hopen we met de Goudse keuzes op gang te brengen, om zo het hele proces van het opstellen van landelijke richtlijnen vooruit te helpen!


Hoe verstorend is archeologievriendelijk bouwen nu eigenlijk?
Een tweede probleem was de vraag hoe verstorend wij bepaalde activiteiten vinden. In de Goudse richtlijn staan wat dat betreft verschillende zaken die wellicht eerder extra verstorend lijken dan dat ze bijdragen aan het behoud van het bodemarchief. Extra ophogen wordt hier bijvoorbeeld gezien als een archeologievriendelijke maatregel. Bij veel archeologen zal dat gefronste wenkbrauwen tot gevolg hebben: zorgt die extra ophoging niet voor zetting, en daardoor juist voor schade aan het bodemarchief? Dat is inderdaad – deels – het geval. Door het ophogen treedt inderdaad zetting op. In Gouda is dit echter een proces dat al bijna 800 jaar aan de gang is, en daarmee een wezenlijk onderdeel vormt van de geschiedenis van de binnenstad. De oudste fase van de binnenstad ligt op een diepte van (gemiddeld) vier meter beneden het maaiveld. De vier meter die daar nu bovenop ligt, is opgebouwd uit steeds weer afzonderlijke ophogingspakketten.


Ophogen heeft men dus altijd gedaan en hoort bij de archeologie van de stad. Het nu ineens als verstoring bestempelen gaat daarom te ver. Er is door al dat ophogen bovendien een stabiele ondergrond ontstaan, die weliswaar nog wel zakt, maar nauwelijks gevoelig is voor ongelijke zetting. De verstoring van de onderliggende lagen is daardoor niet zo groot, zo blijkt ook uit eerder uitgevoerde opgravingen. Ook het dwars door funderingen heen heien is een punt dat wellicht juist archeologieónvriendelijk overkomt, maar dat toch niet is. Het alternatief zou zijn dat bestaande funderingen geheel verwijderd moeten worden, met een grote verstoring tot gevolg, terwijl de voorbeelden uitwijzen dat de heipaal niet zoveel verstoring oplevert. In het kader van het archeologievriendelijke bouwplan op de Koningshof zijn voorbeelden gezocht (3). Daaruit blijkt dat de verstoring zich in vrijwel alle gevallen beperkt tot de heipaal zelf en hooguit enkele centimeters er omheen. Bovendien: ook met een paal er doorheen kan een muur nog steeds als muur herkend worden. Het informatieverlies is dus zeer gering.


Acceptabele verstoring
Om de richtlijn concreet te maken, moest een percentage toegestane verstoring worden opgenomen. De discussie over het percentage van een vindplaats dat mag worden verstoord door een archeologievriendelijk bouwplan is echter een lastige. Veel archeologen hebben, ook tijdens de enquête van het Convent voor Gemeentelijk Archeologen, aangegeven dat de verstoring eigenlijk 0% zou moeten zijn. Archeologisch gezien is dat zeker het beste, maar tegelijkertijd maakt een dergelijk percentage elke ontwikkeling (in Gouda in elk geval) onmogelijk, en is daarom niet haalbaar.


Gouda heeft uiteindelijk voor 5% gekozen. Uitgangspunt daarbij is dat het doel van een archeologievriendelijk bouwplan tweeledig is: de archeologie moet zoveel mogelijk in situ bewaard blijven, én het project moet gerealiseerd kunnen worden. Een verstoring van 5% biedt ruimte voor enkele onvermijdbare ingrepen in de bodem, maar vereist ook dat het overgrote deel van het
bodemarchief bewaard moet blijven. Daarbij moet uiteraard wel beseft worden dat de beginsituatie nooit 100% onverstoord zal zijn in de binnenstad: er zijn in het verleden al olietanks ingegraven, kelders aangelegd enzovoort. De daadwerkelijke verstoring kan daardoor uiteindelijk iets hoger uitvallen dan de genoemde 5%, al is dat zonder opgraving niet aantoonbaar.


Ook 5% blijft discutabel, andere getallen zijn net zo goed verdedigbaar. Naar onze mening is het percentage in elk geval eerder te streng dan te ruim. Immers, als op voorhand van een vindplaats bekend is dat, bijvoorbeeld, 20% is verstoord, is dat dan reden om de vindplaats maar niet meer op te graven? Naar alle waarschijnlijkheid niet, en dus is 5% volgens ons geen probleem. Belangrijkste is echter dat er een keuze wordt gemaakt, zodat er een uitgangspunt is om over te discussiëren. Als uit die discussie of uit de praktijk blijkt dat de percentages onjuist zijn, kunnen ze aangepast worden, en is er met de gekozen 5% hoe dan ook nog niet zoveel informatie verloren gegaan dat de vindplaats waardeloos is geworden.


Wat te doen als het toch mis gaat?
Een laatste, maar bepaald niet onbelangrijk probleem dat ondervangen moest worden, was de vraag: wat te doen als het toch mis blijkt te gaan? Die vraag is wellicht de grootste zorg bij veel archeologen, en daarmee het grootste struikelblok bij het al dan niet uitvoeren van een archeologievriendelijk bouwplan. Want wat te doen als na 5, 10 of 20 jaar bij monitoring blijkt dat er toch degradatie optreedt van het bodem – archief, en een opgraving dus eigenlijk noodzakelijk is? Het ‘de verstoorder betaalt-principe’ gaat dan niet meer op: de oorspronkelijke ontwikkelaar is al lang weg. En is een vindplaats eenmaal overbouwd, dan kán archeologisch onderzoek in feite niet meer. Een reëel punt, en een grote zorg.


In Gouda hebben we gekozen voor een even simpele als onorthodoxe oplossing: we doen in een dergelijk geval helemaal niets. Als het mis gaat, is dat heel vervelend, maar accepteren we dat en gebruiken we die informatie voor een volgend plan, zodat daar niet opnieuw dezelfde fout wordt gemaakt. Zo’n extreme keuze maken we natuurlijk niet zomaar. We doen dat omdat uit alle tot nu toe uitgevoerde opgravingen in de binnenstad blijkt dat de conservering in Gouda zeer goed is en dat het bodemarchief uitstekend bewaard blijft. Het gaat bij al die opgravingen om locaties die ooit overbouwd zijn geweest, met gebouwen die daar bepaald niét op archeologievriendelijke wijze zijn neergezet. Desondanks is er op die locaties nog ontzettend veel archeologie bewaard gebleven. De kans dat het bij een archeologievriendelijk bouwplan, met alle genomen maatregelen, slechter uit zou pakken is dus miniem.


Waar wel, waar niet?
Bij de afweging niets te doen als het blijkt mis te gaan, speelt ook mee dat Gouda archeologievriendelijke bouwen gaat uitvoeren op locaties die archeologisch gezien wel interessant en onderzoekswaardig zijn, maar niet perse behoudenswaardig. Het gaat per definitie dus niet om de absolute toplocaties (althans: wat wij op dit moment als zodanig beschouwen), maar juist om
al die locaties die normaal gesproken worden opgegraven en dus verdwijnen. Dat uitgangspunt is een werkwijze die ook in de rest van Nederland gehanteerd kan worden: pas archeologievriendelijk bouwen niet toe op archeologische monumenten. Kies, zeker als de gevolgen nog niet zo veilig/duidelijk zijn als in Gouda, voor locaties die interessant zijn, maar waar ook nog alternatieven voor zijn. Als het dan, ondanks alle genomen maatregelen, toch nog mis gaat, dan zijn de gevolgen tenminste beperkt.


Bijkomend voordeel is dat er op deze wijze ook locaties voor het nageslacht worden bewaard die daar anders niet voor in aanmerking zouden komen. De Koningshof bijvoorbeeld is een compleet woonblok van 150 bij 100 meter in de historische binnenstad. Voor een groot deel bestaat het archeologisch erfgoed daar uit zaken die afzonderlijk niet voor bescherming als monument in aanmerking kunnen komen, omdat ze niet uniek genoeg zijn. Maar wie zegt dat er over 100, 200 jaar niet júist behoefte is aan onderzoek naar dit soort locaties? Door ook, of zelfs júist, de minder voor de hand liggende locaties op deze wijze te beschermen, verkleinen we het risico op informatieverlies en vergroten we het assortiment aan locaties dat voor de toekomst wordt behouden.


Behoudsrapport
Op basis van die omstandigheden en gegevens durven we het in Gouda dus aan niets te doen, zelfs als het mis gaat. Wel willen we de ontwikkeling van de vindplaatsen monitoren, zodat toekomstige projecten er in elk geval baat bij hebben. In dat kader is het zogenaamde behoudsrapport, een door Tim de Ridder, stadsarcheoloog van Vlaardingen, geïntroduceerd concept, wel licht een goed hulpmiddel. In zo’n behoudsrapport komen in feite alle aspecten van een archeologievriendelijk plan aan de orde. De aard van het archeologisch complex, de ingrepen die mogelijk verstorend zijn, de effecten die deze verstoringen kunnen hebben op het bodemarchief , een opzet voor monitoring van de vindplaats, de financiële kant van het verhaal en nog veel meer zaken kunnen in zo’n rapport worden benoemd, zodat er voorafgaand aan het project al een rapport ligt dat alle aspecten van het archeologievriendelijke plan beschrijft. Het behoudsrapport moet nog verder worden ontwikkeld, maar kan in de toekomst wellicht, bij archeologievriendelijke plannen, het archeologisch bureauonderzoek gaan vervangen.


Conclusie
Uiteindelijk zijn in Gouda nu lokale richtlijnen voor archeologievriendelijk bouwen opgesteld, op basis van de lokale kennis en ervaringen. Hoewel Gouda ongetwijfeld een voordeel heeft door de specifieke eigenschappen van de ondergrond en de ervaring met eerdere projecten, is het naar ons idee ook elders mogelijk al keuzes te maken. Dat is van groot belang, omdat kennis en vooruitgang alleen kan worden behaald door dingen uit te proberen, ook als je nog niet helemaal zeker weet wat het gevolg zal zijn. Dat dit zo nu en dan zal leiden tot verlies van archeologische informatie is onontkoombaar, maar daarmee volgens ons nog niet ontoelaatbaar.


Op heel veel andere manieren, bijvoorbeeld bij het maken van een selectiebeleid en tijdens het weggraven van de bovengrond van een nieuwe opgraving, accepteren archeologen ook dat informatie verloren gaat. Als we, bij gebrek aan kennis, nu niets doen, hebben we misschien pas over 20 jaar voldoende informatie om een eerste richtlijn te maken. In de tussentijd gaan de ongefundeerde ‘archeologievriendelijke’ plannen gewoon door, waarbij ook archeologische informatie verloren gaat.


Een landelijke richtlijn waarin in elk geval ondergrenzen komen te staan is dus cruciaal. De RCE is hier, in samenwerking met het CCvD/ SIKB, inmiddels ook aan begonnen: er wordt gewerkt aan een eerste opzet. De Goudse richtlijn, en dit artikel, hoopt daarvoor een basis te kunnen zijn. Niet zozeer inhoudelijk, daarvoor zal op deze eerste versie nog veel te veel aan te merken zijn, of alleen in Gouda haalbaar zijn. Maar wel door de discussie los te maken over bepaalde dilemma’s, en door keuzes te maken, standpunten in te nemen. Wij zijn er van overtuigd dat onze keuzes en afwegingen doordacht, verantwoord en realistisch zijn, hoe cru ze soms ook mogen lijken. Wij realiseren ons echter ook dat veel archeologen het principieel niet eens zullen zijn met keuzes die wij hebben gemaakt. Juist die discussie willen we graag voeren, om te zorgen dat een volgende richtlijn nóg beter onderbouwd zal zijn. Dus: hoe denkt u erover? Zijn het terechte keuzes? Zou u ze anders hebben gemaakt? Hoe dan? Wat valt er te verbeteren? Daarover discussieren wij graag met u verder!


De auteur drs. M.J. Groenendijk, gemeentelijk archeoloog van Gouda, was als zodanig nauw betrokken bij het ontwerpen en uitvoeren van het Koningshofproject. Hij zit namens het Convent van Gemeentelijk Archeologen in de werkgroep die het onderzoek naar archeologievriendelijk bouwen heeft begeleid.


Noten
1 Caspers, S., W. Knol en H. Kars, 2011: Richtlijnen voor Maatwerk. Onderzoeksrapport Archeologievriendelijk bouwen & fysiek behoud.
2 Groenendijk, M.J. 2009: Archeologievriendelijk bouwen op de Koningshof. Een evaluatie van de archeologievriendelijke aanpak.
3 Fotocatalogus heipalen Gouda. In: Groenendijk, M.J. 2009: Archeologievriendelijk bouwen op de Koningshof. Een evaluatie van de archeologievriendelijke aanpak.


Literatuurlijst
– Caspers, S., W. Knol en H. Kars, 2011: Richtlijnen voor Maatwerk. Onderzoeksrapport Archeologievriendelijk bouwen & fysiek behoud.
– Groenendijk, M.J. 2009: Archeologievriendelijk bouwen op de Koningshof. Een evaluatie van de archeologievriendelijke aanpak. 
– Huisman, D.J. et al, 2011(conceptversie): De invloed van bouwwerkzaamheden op archeologische vindplaatsen.
– Ieperen, M. van, 2011 (conceptversie): Plan van aanpak Richtlijn fysieke bescherming archeologische vindplaatsen in bebouwd gebied.