Restauratiesubsidies rijksoverheid vanaf 2012

Door: Theo Oberndorff


Bij brief van 16 september 2011 (32.156, nr. 31) heeft de Staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap de Tweede Kamer geïnformeerd over de subsidieverlening voor de restauratie van rijksmonumenten vanaf 2012. Hiervoor is in 2012 € 38 miljoen beschikbaar en vanaf 2013 jaarlijks € 37 miljoen.


In het kader van de Modernisering van de Monumentenzorg is eerder afgesproken dat het financieel instrumentarium van de rijksoverheid een andere invalshoek moet krijgen dan tot heden het geval is.


Inmiddels is de doelstelling gerealiseerd dat 90% van de rijksmonumenten in redelijke tot goede staat verkeert. Planmatig onderhoud wordt via de BRIM-regeling gestimuleerd om verval na restauratie te voorkomen.


Voor de 36.000 woonhuismonumenten is via het Revolving Fund van het Nationaal Restauratiefonds een systeem ontwikkeld waarbij rente en aflossing op de verstrekte hypothecaire leningen voor woonhuisrestauraties voldoende zijn om de jaarlijkse restauratiebehoefte voor woonhuismonumenten te financieren. Veel eigenaren van niet-woonhuismonumenten zijn niet in de gelegenheid rente en aflossing te betalen.


Er zijn ca. 2.500 niet-woonhuismonumenten die in een slechte staat van onderhoud verkeren, hetgeen overeenkomt met ca. 10% van het bestand. Er zijn niet voldoende middelen aanwezig (€ 2 miljard investeringsbehoefte, € 600 miljoen subsidiebehoefte) om die restauraties op korte termijn uit te voeren. Niettemin, de restauratiewerkzaamheden moeten doorgaan, ook om het restauratieambacht op peil te houden. De inzet van de van de beschikbare middelen blijft dus een kwestie van prioritering.


Met de restauratiesubsidies vanaf 2012 wordt beoogd:



  • de verdere afname van de hoeveelheid monumenten in slechte staat (nu 10%);
  • inzet op restauraties met behoud van de oorspronkelijke functie;
  • inzet op restauraties waarbij een nieuwe functie nodig is;
  • planmatig onderhoud om de rijksmonumenten in goede staat te houden.

Uitgangspunten voor de restauraties na 2012:



  • zo laag mogelijke administratieve lasten voor aanvrager en overheid;
  • uitvoering restauratiewerkzaamheden volgens door de beroepsgroep opgestelde kwaliteitseisen;
  • verplichte inschakeling van opleidingstrajecten in de bouw bij gesubsidieerde restauraties;
  • geen vangnetten voor allerlei uitzonderingen;
  • zoveel mogelijk zekerheid voor de eigenaar;
  • minder subsidie en meer lenen;
  • besluitvorming over de inzet van de middelen bij de hiervoor verantwoordelijke bestuurslaag;
  • synergie in de inzet van geldstromen, bevordering multiplier effect;
  • passend in de Europese kaders voor staatssteun. 

Twee sporen (meer lenen, provincies als uitvoeringsoverheid):



  • Vanaf 2012 wordt het lenen uitgebreid naar niet-woonhuismonumenten, waarvan de eigenaar in staat is rente en aflossing op te brengen. De monumenten van de eigenaren die daartoe niet in staat zijn komen in aanmerking voor subsidie. Een storting van € 17 miljoen per jaar ( € 18 miljoen in 2012) gedurende 6 jaar leidt tot een toereikend revolving fund voor de zgn. Restauratiefondsplus-hypotheek. Vanaf 2018 valt er € 17 miljoen vrij in de begroting van OCenW.
  • Een eigenaar kan maximaal € 2,5 miljoen lenen voor restauratie of herbestemming van het rijksmonument, looptijd 30 jaar. Rente en aflossing voeden het Revolving Fund. De hoogte van de lening wordt bepaald op basis van de fiscaal aftrekbare kosten door de Belastingdienst.
  • Overleg met de provincies om te komen tot afspraken over een nieuwe, structurele taak van de provincies in de restauratie van rijksmonumenten. Provincies slagen er in om een multipliereffect te bereiken voor restauratiesubsidies. Het subsidiebeleid voor de restauratie van rijksmonumenten, waarvan de aanvrager niet in staat is rente en aflossing te betalen, wordt gedecentraliseerd naar de provincies, inclusief de middelen die hiervoor zijn gereserveerd op de rijksbegroting. Molens, kastelen, buitenplaatsen en kerken met kerkelijk gebruik vallen in deze categorie. Provincies bepalen cf. afspraak in het Bestuursakkoord 2011-2015 hoe zij deze nieuwe taak invulling geven en leggen hierover verantwoording af op decentraal niveau. Hiervoor is in totaal jaarlijks 20 miljoen euro beschikbaar.

De Staatssecretaris acht het onwenselijk om Aangewezen Organisaties voor Monumentenbehoud (AOM’s) over een eigen restauratiebudget te laten beschikken. Om die reden krijgen de AOM’s prioriteit in het BRIM vanaf 2013, een aanvullende faciliteit in het Restauratiefonds door het merendeel van de lening als een achtergestelde lening te verstrekken. Op deze wijze wordt het risicodragend vermogen van de aangewezen organisatie voor monumentenbehoud verhoogd.


Via kwaliteitsnormen zal de restauratiekwaliteit worden gegarandeerd via door de beroepsgroep vastgestelde normen. Eén en ander vindt plaats binnen de Stichting Erkenningsregelingen Restauratie Monumenten. Gemeenten blijven verantwoordelijk voor de vergunning en het toezicht daarop. De RCE levert de specifieke inhoudelijke deskundigheid en zet programmatisch en vraaggericht in op begeleiding van restauratieprojecten die met rijksgeld medegefinancierd worden. Dit beleid zal in 2015 geëvalueerd worden.