Op de bres voor ‘het verhaal Roermond’
Roermond is – na Maastricht – de tweede monumentenstad van Limburg. Maar Roermond werkt ook hard aan zijn economische groei. Tussen vooruitgang en behoud van het bestaande ligt bijna altijd een spanningsveld. In dat spanningsveld. In dat spanningsveld heeft de Stichting Ruimte, die haar tweede lustrum viert, zich de rol van waakhond aangemeten. Met wisselend succes. Het verhaal van een universele strijd.
Door: Guus Urlings.
Bron: dagblad de Limburger
“Wij zijn niet tegen vooruitgang. Absoluut niet. Maar we vinden wel dat we verplicht zijn om achteruitgang tegen te houden.” Zie daar, in één zin samengevat door secretaris Lucien Jansen, de filosofie van de Roermondse Stichting Ruimte. Want, benadrukken hij en zijn collega-bestuurder Leonard Fortuin in koor, de inzet is niet – in tegenstelling tot wat ten gemeentehuize nog wel eens gedacht en uitgesproken wordt – voortdurend dwars liggen, alles wat naar vernieuwing en verandering ruikt bestrijden.
“Integendeel”, zegt Fortuin. “Wij hebben er alle begrip voor dat een gemeente als Roermond méér belangen heeft te dienen dan alleen het behoud van zijn monumenten, zijn stedelijke en landschappelijke structuur. En natuurlijk is economische groei belangrijk, natuurlijk moet de strijd tegen werkloosheid hoog op de prioriteitenlijst staan. Wij zullen ook niet ontkennen dat Roermond in die strijd successen heeft geboekt. Wat wij willen, is dat een gemeente die zich zo graag profileert als de tweede monumentenstad van Limburg, die positie ook wáármaakt. Dat ze niet bijna blindelings veel van het waardevolle dat ze in huis heeft offert op het altaar van de vooruitgang, van de projectontwikkelaars. In die zin willen wij een waakhond zijn. Waarschuwen als het mis driegt te gaan, maar ook: alternatieven aandragen. Want je kunt de vooruitgang ook dienen met respect voor het verleden.”
Als het in dit dichtbevolkte en dichtbebouwde land om benutting van de schaarse ruimte gaat, is er bijna onvermijdelijk sprake van een spanningsveld. Tussen natuurbeheerders en boeren, tussen wegenbouwers en natuurbeheerders, tussen monumentenbehouders en vernieuwers. In dat spanningsveld liggen de wortels van de Stichting Ruimte, in 1996 opgericht door ‘monumentenfanaten’ die van mening waren dat het slecht gesteld was met de zorg voor het monumentaal erfgoed in Roermond. “In de naoorlogse jaren zijn in de Roermondse binnenstad heel veel monumentale panden verdwenen”, zegt Leonard Fortuin. “Denk maar aan het Munsterplein, op de plek waar nu V&D en de Hema gevestigd zijn. Wat oud was, moest wijken voor de vooruitgang.”IN 1996 was de situatie in wezen niet veel anders. Tal van monumentale of karakteristieke panden stonden al jaren leeg, dreigende steeds verder te vervallen. Een bescheiden aantal wist (gedeeltelijk) te overleven, maar heel veel grote en kleine relicten van het ‘oude’ Roermond verdwenen. In naam van de vooruitgang.
Het is een verhaal dat voor heel veel plaatsen geschreven zou kunnen worden. Het is slechts een kwestie van de namen van panden (maar ook natuurgebieden, landschapselementen) lokaal invullen. De strijd tussen behoud en vooruitgang is universeel.
“Het verhaal dat Roermond is, kan alleen begrepen worden als de letters, de leestekens en de spaties op de juiste plaats blijven staan. Die letters en leestekens horen dáár thuis en nergens anders. En zonder spaties wordt de zin onleesbaar. Er is ruimte en leegte nodig in het verhaal. De eigen plek van letters en leestekens in die ruimte maakt het verhaal van de stad tot een uniek verhaal. Elke stad vertelt haar eigen verhaal. De stad die krampachtig wil lijken op een andere stad, verliest haar verhaal. Zij verliest zichzelf. De stad die wil lijken op de modelstad die planologen en projectontwikkelaars op hun laptop bedenken, is ten dode opgeschreven, die stad heeft geen verhaal.”
Zo verwoordt professor Peter Nissen, kerkhistoricus, momenteel druk bezig met het schrijven van de stadsgeschiedenis van Roermond, de ‘opdracht’ van de Stichting Ruimte. Hij doet dat in zijn voorwoord bij De luis in de pels, het jubileumboek van de stichting. Geen verkeerde titel, wan tin de afgelopen tien jaar kon er in Roermond nagenoeg niets gebouwd of verbouwd worden of de stichting diende wel een ‘zienswijze’ in , zoals het officieel heet. Anders gezegd: de stichting bemoeide zich ermee. Niet altijd tot genoegen van het gemeentebestuur. En dat is nog voorzichtig uitgedrukt.
“We hebben, schat ik, in die tien jaar ongeveer tweehonderd keer een ‘zienswijze’ ingediend als er weer eens bouw- of verbouwplannen ter inzage lagen”, zegt Lucien Jansen. “Tot nu toe hebben we niet één keer mogen meemaken dat onze zienswijze zelfs maar gedeeltelijk is overgenomen. Zoals gezegd: wij realiseren ons heel goed dat de gemeente meerdere belangen te dienen heeft. Maar zó vaak kunnen we er toch niet helemaal naast gezeten hebben?”
Desondanks heeft de Stichting Ruimte – zij het vaak pas na slepende procedures – een aantal ‘overwinningen’ weten te boeken. Zoals het behoud van d een deel van de voormalige Ernst Casimir Kazerne, de integratie van het monumentale pand Cillekens-Dreessens (oude smederij/metaalwarenbedrijf) in het nieuwe winkelcentrum Roercenter, het behoud van de monumentale ingangspartij van het Retraitehuis aan de Kapellerlaan. Maar, verzucht Leonard Fortuin, daar staan veel pijnlijke ‘nederlagen tegenover: de sloop van de remise van de Limburgsche Tramweg Matschappij, de sloop – zonder bouwhistorisch onderzoek – van het Akcros-complex (voormalige chemische fabriek Dr. Haagen, uit 1869), de volgens de stichting ‘catastrofale’ Verbouwing van de Roersingelrotonde ten koste van eeuwenoude vestingwerken.
“Maar we gaan dóór”, zegt Lucien Jansen. “Omdat het cultureel erfgoed van deze stad het verdient om met respect behandeld te worden. Ook de moderne vormgeving verdient trouwens de aandacht. Architectuur hoeft toch niet alleen functioneel, en dus vaak lelijk te zijn? Stadsschoon weerspiegelt zich in het oude en in het nieuwe. Dat zouden wij graag vertaald willen zien in het ruimtelijk beleid van Roermond. En daar blijven we aan werken. In overleg als dat kan. Als luis in de pels als dat moet.”