Onderzoek van een begraafplaats in het Limburgse Tegelen

Bron: www.archeologie.nl


Begraven in de 19e eeuw


Het onderzoek van graven uit de Nieuwe tijd, met name vanaf de 18e eeuw, is sterk onderbelicht. Dit wordt mede veroorzaakt door de gevoelige aard van het onderwerp. De periode is zo recent dat directe nazaten nog in leven kunnen zijn, kleinkinderen zelfs, die de begravenen nog gekend hebben. Maar met het verstrijken van de tijd ontvallen ons de generaties die zich deze periode nog herinneren en daarmee verdwijnt ook onze kennis ervan. Wie weet er nog hoe je een rozenhoedje bidt? En wie kent de 19e-eeuwse religieuze medaillon, het moderne equivalent van de zo bekende middeleeuwse pelgrimsinsigne? De lacune die de Nationale Onderzoeksagenda voor de Archeologie (NOaA) vaststelt in onze kennis over middeleeuwse grafvelden, is zeker ook aanwezig voor de periode erna.


Gelukkig komt er verandering in. De laatste jaren zijn er verschillende onderzoeken geweest van graven uit de Nieuwe tijd. Kerkhoven en graven in verschillende kerken, onder andere in Leiden, Alkmaar, Den Bosch en Zwolle, zijn bekeken en gepubliceerd. Ook het ADC heeft een bijzondere opgraving mogen uitvoeren, aan het Wilhelminaplein in Tegelen. Dit onderzoek bood ons een kans om niet alleen meer te weten te komen over de aldaar begraven mensen maar ook over grafgebruiken in de 19e en het begin van de 20e eeuw.


Het metaal van deze begraafplaats vertelde ons veel. Zo troffen we op de kisten veel niet noodzakelijke voorzieningen aan. Handvatten en sierlijke bekroningen die vooral een uiting van welvaart waren. Het viel op dat er maar een beperkt aantal typen gebruikt was, waarvan bovendien één type sterk domineerde. Het lijkt erop dat de mensen het niet belangrijk vonden om hiermee hun individualiteit te uiten.


Zowel de handvatten als de bekroningen zagen we nog niet eerder in deze vorm en we konden nieuwe typen toevoegen aan de bestaande handvat typologie van Peter Bitter. Voor de bekroningen hebben we een nieuwe typologie opgezet.


Meer dan duizend metalen vondsten zijn onderzocht en beschreven. De hoeveelheid vondsten maakte statistische beschouwingen mogelijk. Een voorbeeld hiervan is het meegeven van een rozenkrans aan de overledenen. Het bleek namelijk dat met name rijkere mensen vaker een rozenkrans mee het graf in namen. Wat minder vaak hadden de overledenen ook een of meer medaillons bij zich, al dan niet aan de rozenkrans. Helaas konden we geen relatie vaststellen tussen de aanwezigheid van medaillons en het welvaartsniveau van de begravene.


Ook de rozenkransen en de medaillons kennen een grote eenvormigheid, in uiterlijk en uitvoering. Een groot verschil met het kistbeslag is dat we hier wel duidelijk persoonlijke voorkeuren kunnen zien, namelijk in de keuze van de afbeelding op het medaillon. Met een medaillon kon een gelovige verbondenheid met een bepaalde (patroons)heilige uiten. Ook kon hij of zij een afgelegde pelgrimage tonen of een lidmaatschap van een katholieke vereniging.


Het kerkhof is met zijn vondsten een uiting van een veranderd politiek klimaat. Met de komst van de Fransen aan het eind van de 18e eeuw kreeg het katholieke deel van de bevolking meer vrijheden dan tijdens de voorgaande protestantse regering. Katholieken konden weer openlijk hun geloof belijden en er kwamen weer katholieke kerken. Uit de metaalvondsten blijkt dat de katholieken in grote getale begraven gaan worden met devotionalia. De afbeeldingen op deze voorwerpen laten zien dat er grote katholieke verenigingen ontstonden en dat er grootschalige katholieke bijeenkomsten georganiseerd werden.