Mergelwinning ENCI Maastricht tot uiterlijk 2015

Bron: nieuwsbrief e-limburGS


Om mergelwinning mogelijk te maken en te houden, is reeds diverse malen door de Provincie aan Enci een vergunning op grond van de Ontgrondingenwet, de Grondwaterwet alsmede de Wet milieubeheer verleend. Omdat de Ontgrondings- en de Grondwaterwetvergunning per 31 december 2009 verliepen, heeft Enci tijdig nieuwe aanvragen ingediend en heeft de Provincie deze vergunningen in maart 2009 opnieuw verleend. Aan deze vergunningen zijn deels gelijkluidende voorschriften verbonden.

Raad van State heeft alle ingebrachte beroepen ongegrond verklaard waardoor beide vergunningen onherroepelijk zijn geworden.

Het beleid van de Provincie Limburg ten aanzien van de ontgrondingen van Enci is hierbij dat de winning tot uiterlijk 2015 wordt toegelaten. Echter, Enci, de gemeente Maastricht en de Provincie Limburg streven ernaar een gezamenlijk Plan van Transformatie te maken, waarin de eindafwerking van de groeve én het bedrijventerrein van Enci worden geregeld (‘getransformeerd’). Als dit Plan leidt tot een meerwaarde voor Maastricht en de omliggende regio, is de mergelwinning ter plaatse tot uiterlijk 31 december 2019 toegestaan. De uiteindelijke toegestane datum voor mergelwinning moet eveneens in dit Plan vastgelegd worden.

Bovenstaande trapsgewijze constructie voor beëindiging van de datum van de ontgrondingsactiviteiten is verwoord in de voorschriften van de Ontgrondingsvergunning, alsmede voorschriften die voortvloeien uit andere bij de ontgronding betrokken belangen, waaronder de effecten op de natuur, het grondwater en de mogelijkheden voor de eindafwerking.

Tegen de Grondwaterwet- en de Ontgrondingsvergunning is bij Raad van State beroep aangetekend door een tweetal partijen zijnde Stichting Enci Stop alsmede de Vereniging tot redding van de Sint Pietersberg. De gronden voor de beroepen zijn eveneens deels gelijkluidend aangezien aan beide ver¬gunningen deels gelijkluidende voorschriften verbonden zijn.

Het ingebrachte beroep had betrekking op een groot aantal in de vergunningen genoemde aspecten. Zo stellen de partijen onder andere dat in de vergunning ten onrechte nog geen definitieve vaste einddatum is bepaald en dat in het midden wordt gelaten hoe de definitieve einddatum tot stand komt. Verder wordt volgens partijen onvoldoende duidelijkheid gegeven over de uiteindelijke herinrichting, wordt de stabiliteit van de wanden in twijfel getrokken en zou de ontgronding de hydrologie van het naast de groeve gelegen Jekerdal aantasten.