Evaluatie BRIM BMC

BMC Advies Management heeft begin 2008 het BRIM geëvalueerd. Daarbij zijn vijf specifieke onderzoeksvragen onderzocht en is nagegaan in hoeverre de beleidsintenties, zoals aangegeven in de brief van de Staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (OCW) aan de Tweede Kamer van 18 december 2001, zijn gerealiseerd met het Brim. De resultaten van het onderzoek zijn weergegeven in het rapport Evaluatie Besluit Rijkssubsidiëring Instandhouding Monumenten. Hierna volgt een samenvatting van hun conclusies, zoals weergegeven in de brief die het BMC, ter begeleiding van dit rapport, op 24 juli 2008 aan het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap hebben gestuurd.


In zijn algemeenheid kan worden geconcludeerd dat het Brim voldoet voor de eigenaren van woonhuizen en boerderijen zonder agrarische functie, maar niet voor de eigenaren van de overige categorieën van monumenten. In dit laatste geval gaat het vaak om grote monumenten. Hierbij moet worden opgemerkt dat deze conclusie niet opgaat voor alle eigenaren van woonhuizen zonder agrarische functie of voor alle eigenaren van een monument uit de overige categorieën. Er zijn een scala van voorbeelden te noemen waarbij het Brim een tegenovergesteld effect heeft dan de algemene conclusie aangeeft. Dit tekent de complexiteit van het Brim.

Nadere analyse
In vervolg op deze algemene conclusies is het Brim nader geanalyseerd. Daarbij komt men tot de vaststelling dat het Rijk met het Brim beoogt het Rijksmonumentenbestand in goede staat te houden door eigenaren financiële prikkels of ondersteuning te verlenen. Het Rijk heeft echter onvoldoende zicht op het Rijksmonumentenbestand dat in stand moet worden gehouden en beschikt over onvoldoende budget. Daardoor is het breed gedragen beginsel van het Brim een samenhang tussen preventief onderhoud en incidentele restauratie overschaduwd door ‘reparatieregelingen’ die de uitgaven binnen het budget dienden te houden.
Deze regelingen zijn voorts gebaseerd op het monumentenregister. Het monumentenregister is echter nooit voor dat doel opgezet en kent inconsequenties en onjuistheden die zijn effect hebben op de uitwerking van het Brim. Voorts zien wij dat bij het Brim is uitgegaan van een opvatting over subsidiëren die kan worden omschreven als: met gedetailleerde regelgeving het beoogde resultaat veilig stellen. De regelgeving richt zich daarbij niet alleen op het beoogde resultaat, maar vooral op het proces om tot het resultaat te komen. Daarbij legt de subsidiegever impliciet zijn visie op de wijze waarop het resultaat moet worden behaald op aan de eigenaar die het resultaat moet realiseren en gaat voorbij aan de verantwoordelijkheid en het belang van de eigenaar. Het gevolg is hoge perceptiekosten en/of werkdruk bij de RACM en hoge administratieve lasten bij de subsidieontvanger die in voorkomende gevallen in geen verhouding staan tot de ontvangen subsidie. Doordat er vooralsnog geen monitoring plaatsvindt van de staat van onderhoud van het monumentenbestand bestaat er ook nog geen inzicht in de effectiviteit van het Brim.

Nieuw subsidiemodel
Op grond van deze analyse suggereert BMC het volgende model voor subsidiëring van Rijksmonumenten:
1. Voor algemeen regulier onderhoud dat door iedere eigenaar moet worden verricht worden generieke regelingen getroffen. De generieke regelingen houden in dat de eigenaren verantwoordelijk zijn voor de uitvoering van het onderhoud, dat zij daarvoor ondersteuning ontvangen en dat de overheid daarvoor verlangt dat de monumenten in goede staat worden gehouden. De
regeling maakt geen gedetailleerd onderscheid tussen categorieën monumenten. Het monumentenregister is hoofdzakelijk nodig om vast te stellen dat het om een monument gaat. De overheid toetst de eindresultaten. Voor de meeste woonhuiseigenaren is deze situatie – met uitzondering van de toetsing – reeds gerealiseerd.
2. Een regeling voor specifieke projecten om monumenten te behouden. Het gaat om monumenten die worden bedreigd in het voortbestaan en/of in hun monumentale waarde. Het gaat daarbij om projectsubsidies. Het toewijzingscriterium is: de technische staat van het monument en de prioritering in het geheel van bedreigde monumenten. De projecten worden uitgevoerd op
basis van een projectplan dat ook kan worden gecontroleerd op uitvoering en resultaat.
3. Monitoring van het monumentenbestand c.q toetsing van de resultaten. De overheid moet inzicht hebben in de staat van het monumentenbestand en specifiek ten aanzien van de bedreigde monumenten. Verder moet de overheid kunnen vaststellen of de generieke maatregelen effectief zijn. Daarvoor moet een monitor worden opgezet die de staat van het monumentenbestand volgt. 4. De oorspronkelijke intentie van het Brim, dat via preventief onderhoud restauraties worden uitgesteld of voorkomen, blijft het uitgangspunt van een generieke regeling. Preventief onderhoud is een voortdurende activiteit waarvoor voldoende financiële middelen beschikbaar moeten zijn.

Oplossingsrichtingen
Het BMC heeft ook nagedacht over een verdere invulling van het subsidiemodel zoals gepresenteerd, hoewel dat niet tot de opdracht behoorde. Voor uw informatie vermelden wij hieronder onze ideeën op dat punt. Daarbij moeten wij benadrukken dat deze ideeën niet zijn getoetst op haalbaarheid. Wel zijn de oplossingsrichtingen met de begeleidingscommissie besproken die ze op hoofdlijnen onderschreef.

Het subsidiemodel zou op de volgende wijze invulling kunnen worden gegeven:

Ad 1: Generieke maatregelen voor regulier onderhoud
Op grond van de voorafgaande analyse is het wenselijk een generieke regeling te ontwerpen. De huidige regeling voor instandhouding kent drie instrumenten: leningen, belastingaftrek en subsidie. Wij kunnen ons voorstellen dat er een regeling wordt ontworpen waarbij het instrument subsidies wordt afgeschaft (dit instrument vraagt veel perceptiekosten en administratieve lasten bij de subsidieontvanger). De regeling is dan gebaseerd op twee instrumenten: belastingvoordeel en leningen. De huidige groep fiscaal relevante eigenaren heeft reeds belastingaftrek. Voor de huidige niet fiscaal relevante groep zou kunnen worden gedacht aan vrijstelling van BTW. Het voordeel van BTW-vrijstelling is dat alle soorten monumenten naar rato van de onderhoudsuitgaven op gelijke wijze worden ondersteund. Het probleem met complexen en andere inconsequenties in het monumentenregister is niet meer aan de orde.

Ad 2: Bedreigde monumenten
Naast de generieke regeling voor instandhouding kan een subsidiefaciliteit worden gecreëerd voor de objecten die moeten worden gered van de ondergang, de echte grote restauraties. Er zal een heldere definitie moeten worden geformuleerd om het onderscheid tussen onderhoud en dit soort restauraties te markeren (in werkelijkheid is het een gradueel verschil). Het criterium voor toewijzing moet zijn: de staat van onderhoud van het object en de prioritering daarbij.
De RACM zal als kenniscentrum en uitvoerder van het Brim op basis van kennis van het monumentenbestand en de ingediende projectplannen een prioritering moeten aanbrengen en de projecten moeten toekennen. Ook bij de projectsubsidies geldt dat de verantwoordelijkheid voor de uitvoering van het project en de besteding van de subsidie in hoge mate aan de verantwoordelijkheid van de eigenaar wordt overgelaten. Er is niet meer controle dan strikt noodzakelijk om de rechtmatigheid van de subsidies te garanderen. De controle richt zich hoofdzakelijk op het behalen van het beoogde resultaat.

Ad 3: Monitoring c.q. toetsing
Het toetsen van het eindresultaat c.q het monitoren van de staat van het monumentenbestand is een noodzakelijk sluitstuk bij deze benadering. Daarvoor zou een eerder – op basis van steekproeven – uitgevoerd onderzoek naar de staat van onderhoud van de monumenten kunnen worden herhaald zodat de algemene ontwikkeling duidelijk wordt. De vraag is of dat voldoende specifiek inzicht biedt.
Gezien de omvang van meer dan 60.000 monumenten is een algehele inventarisatie vooralsnog niet realistisch. Het is echter wel noodzakelijk om de bedreigde monumenten te inventariseren. Bij deze inventarisatie kan gebruik gemaakt worden van de kennis die beschikbaar is bij bijvoorbeeld de monumentenwachten en gespecialiseerde architectenbureaus. Zo is volgens de monumentenwacht ca. 80% van de grote monumenten geabonneerd op de monumentenwacht.

Voor de ontwikkeling van de monitor past binnen de rol van de RACM als kenniscentrum. Gezien de enorme omvang van het bestand en de afstand van het Rijk tot de burgers/eigenaren van monumenten zouden ook de gemeenten een verantwoordelijkheid kunnen krijgen bij het monitoren van de staat van onderhoud van de Rijksmonumenten. Dit sluit aan bij de vergunningverlenende taak van de gemeenten. Gemeenten hebben reeds een verantwoordelijkheid en kennis als het gaat om de bebouwde omgeving en de instandhouding van onroerend goed.
Monumenten zijn daar en onderdeel van met een aantal bijzondere kenmerken. Het bevordert een integraal en planologisch ingebed beleid en sluit aan bij de reeds bestaande begeleidende taken van de gemeente in het Brim. Ook hier zou dan een benadering moeten worden gekozen dat de RACM als kenniscentrum de kaders stelt maar de gemeenten de monitor onder eigen verantwoordelijkheid uitvoeren.

Overige suggesties
Voor onderhoud – dat wil zeggen er vindt geen verandering plaats aan het monument – is geen vergunning nodig. Het ontbreekt echter aan een duidelijke afbakening van wat onderhoud is en wat een verandering aan het monument is. Dit leidt ertoe dat gemeenten al snel aannemen dat een werkzaamheid vergunningplichtig is met de daaraan verbonden administratieve last en doorlooptijd. Zowel de in monumenten gespecialiseerde architecten als aannemers hebben een erkenningsregeling. Een suggestie is dat als erkende bedrijven de onderhoudswerkzaamheden aan een monument uitvoeren er geen vergunning hoeft te worden aangevraagd maar dat kan worden volstaan met een melding aan de gemeente. De gemeente heeft dan de gelegenheid controle uit te voeren.
In het kader van het verbeteren van de informatie over het Rijksmonumentenbestand kan worden overwogen om de eigenaren in te zetten. Dit kan door de eigenaren inzage te geven – al dan niet via de gemeente – in de informatie over hun monument met de mogelijkheid correcties aan te geven.