Bouwhistorisch onderzoek
Het bouwhistorisch onderzoek heeft twee belangrijke pijlers. Pijler één is de opname in het gebouw, waarbij waarnemingen worden verricht en foto’s, schetsen en tekeningen worden gemaakt. Pijler twee is een literatuur- en archiefonderzoek, waarbij kaarten, (bouw)tekeningen, foto’s en geschreven gegevens worden verzameld. Daarnaast kan de bouwhistoricus uw object vergelijken met soortgelijke objecten op andere plaatsen: bijvoorbeeld wanneer het bijzondere kenmerken heeft, door een belangrijke architect is ontworpen of een bijzondere architectuurstroming vertegenwoordigt.
Wat doet een bouwhistoricus?
De bouwhistoricus legt de resultaten van het onderzoek vast in een rapport. Hierin geeft hij in woord en beeld zijn bevindingen weer, vaak inclusief een cultuurhistorische waardestelling. Deze waardestelling beschrijft de elementen en aspecten die bijdragen aan de historische betekenis, de karakteristiek en de leesbaarheid van de bouw- en gebruiksgeschiedenis. Op ingekleurde tekeningen kunt u deze waardestelling lezen. U kunt aan de onderzoeker een mondeling of schriftelijk overdrachtsprotocol vragen: een advies over de beste manier om de onderzoeksresultaten te gebruiken. Hij kan ook nader onderzoek aanbevelen met het oog op het voorgenomen (bouw)plan. Indien mogelijk zal de bouwhistoricus zijn bevindingen publiceren, zeker wanneer de opgedane kennis van belang kan zijn voor het vakgebied en voor andere geïnteresseerden.
Hoe pak je bouwhistorisch onderzoek aan?
Veel grotere Nederlandse monumentengemeenten brengen de bouwhistorische waarden al systematisch in kaart. Het is echter nog geen algemene praktijk in alle gemeenten. Zo kunnen kleine gemeenten die zelf de expertise niet in huis hebben, een onderzoeksbureau inschakelen. Daarnaast zijn er juridische mogelijkheden om dergelijk bouwhistorisch onderzoek te bevorderen en de uitkomsten te verwerken in het ruimtelijk beleid.