Eerste hulp bij certificering
Naar verwachting zal per 1 juli 2016 de nieuwe erfgoedwet van kracht zijn. Dat houdt onder andere in dat het oude vergunningsstelsel in de archeologie zal komen te vervallen. De minister van OCW heeft aangekondigd dat er ter vervanging private kwaliteitsborging in het leven geroepen zal worden, op basis van certificering. In reactie hierop is door de verschillende geledingen binnen de archeologie, vertegenwoordigd in het CCvD, besloten om het systeem van certificering zelf uit te werken. De weg hiernaartoe, die in 2014 is ingezet, wordt gefaciliteerd door de SIKB. Het CCvD is besluitvormend en wordt geadviseerd door diverse begeleidingscommissies.
Waar staan we nu precies? Op 9 november is er binnen het CCvD een aantal besluiten genomen dat het hele proces weer een stapje verder gebracht heeft.
Ten eerste is er besloten dat het register definitief onderdeel uit zal gaan maken van het certificeringsproces. Dat betekent dat iedereen die opgevoerd wordt als actor in de te certificeren protocollen ook opgenomen moet zijn in het register. Hoe dat register er precies uit moet gaan zien staat nog ter discussie, maar het CCvD heeft duidelijk aangegeven dat er geen problemen mogen ontstaan bij de transitie naar dit systeem en er zullen dus geen plotseling aanvullende eisen gesteld worden aan de actoren. Er is ook nog discussie over het al dan niet invoeren van een soort ‘onderhoudssysteem’ waarbij personen gecontroleerd worden op gevolgde bijscholing etc. om hun registratie te behouden. Dit is een belangrijk punt omdat het streven naar een verbeterde of in ieder geval gecontroleerde kwaliteit voor veel leden van het CCvD een zeer belangrijk onderdeel van de certificering is.
Naast de doorgehakte knoop over het register is er ook besloten de certificering in twee fasen in te voeren: vanaf 1 juli zal het mogelijk zijn je te certificeren voor de wettelijk verplichte protocollen, en vanaf 1 januari 2017 ook voor de vrijwillige protocollen. Daarmee zal er wel minder tijd voor accreditatie zijn, omdat de termijn van 2 jaar (vanaf de invoering) blijft staan.
In de komende maanden zal het CCvD zich met name concentreren op het thema onderhoudseisen van het register en de rijkweidte van de certificering. De vraag is of de audits de hele (uitvoering van) de KNA moeten gaan bekijken of slechts naar een deel van de protocollen. De Erfgoedinspectie zal, om de discussie meer basis te geven, een lijst opstellen van projecten waarin in het verleden afgeweken is van de processstappen als ondersteuning bij de verdere discussie in het CCVD.
Als de laatste hobbels overwonnen zijn, zal er in februari alsnog een bijeenkomst van de begeleidingscommissie zijn om ook de ingekomen reacties te bespreken. Dan is het CCvD immers nog een stap verder in de besluitvorming. Naar verwachting zullen de stukken dan in maart bij de minister ingediend kunnen worden voor acceptatie in de Erfgoedwet.