De waarde van resten uit de steentijd

Verstoorde vindplaatsen


Bron: Rijksdienst voor het cultureel erfgoed | 3 | zomer 2011
Door: Eelco Rensink & BjØrn Smit


Archeologische resten uit de steentijd hebben momenteel volop de aandacht. Alle archeologen zijn het erover eens dat ze van belang zijn voor de geschiedschrijving van Nederland. Meer dan 95 procent van onze bewoningsgeschiedenis speelt zich namelijk af in de steentijd. Maar wat is de waarde van de resten als ze verstoord zijn?


In Nederland wonen al minstens 300.000 jaar mensen. Dat betekent niet dat die hier de hele tijd aanwezig waren. In de koudste fasen van de laatste twee ijstijden was er hier sprake van een poolwoestijn en verbleven jagers en verzamelaars in zuidelijkere streken. Als het klimaat verbeterde, trokken zij weer noordwaarts. In de jaren tachtig van de vorige eeuw zijn er overblijfselen
van kampementen van vroege Neanderthalers opgegraven in de groeve Belvédère bij Maastricht.


De eerste moderne mensen trokken Nederland zo’n 15.000 jaar geleden binnen, na een extreem koude fase van de laatste ijstijd. Pas tegen het einde van de steentijd, vanaf 5300 voor Christus, verschijnen in Zuid-Limburg de eerste boeren. In de rest van Nederland gaat de overgang naar landbouw en veeteelt veel geleidelijker. Jagen, verzamelen, vissen en het kleinschalig verbouwen van graan gaan nog lange tijd hand in hand, zoals onderzoek bij Swifterbant in Flevoland heeft aangetoond. De steentijd eindigt met het begin van de bronstijd, zo’n 2000 voor Christus.


Klein, laag en gering
De laatste twintig jaar zijn in Nederland nauwelijks vindplaatsen onderzocht van jager-verzamelaars uit de vroege fase van de steentijd, het paleolithicum. En dat ondanks de ondertekening in 1992 van het Verdrag van Valletta om in Europa het archeologische erfgoed beter te beschermen. Wat is er aan de hand? Hoewel verscheidene factoren een rol spelen, lijken er twee van doorslaggevende betekenis voor de hogere zand- en lössgronden van Nederland. De vindplaatsen zijn klein en bevatten vaak uitsluitend bewerkte stenen. Ze worden daarom moeilijk herkend. En de overblijfselen zijn vaak verstoord, waardoor de informatiewaarde als laag wordt bestempeld. Als gevolg hiervan worden overblijfselen van kampementen van jagers en verzamelaars ofwel niet ontdekt ofwel niet geselecteerd voor vervolgonderzoek.


Buiten de hogere zand- en lössgronden speelt vooral de geringe kans op het aantreffen van archeologische resten een rol. In het algemeen liggen hier de resten uit de steentijd verscholen onder dikke pakketten klei en veen, op vele meters onder het maaiveld.


Een schat aan informatie
Eén van de thema’s die voor steentijdonderzoek van belang is, is de kolonisatie van Nederland, onze vroege bewoningsgeschiedenis. Twee vindplaatsen die in de afgelopen twee decennia zijn onderzocht en met dit thema verband houden, liggen bij Eyserheide en Stroe. Bij Eyserheide, in Limburg, zijn bewoningssporen van 15.000 jaar oud gevonden uit het Magdalénien, de menselijke cultuur uit die tijd. De resten bij Stroe in Gelderland komen uit de Hamburgcultuur en zijn
14.000 jaar oud.


Ondanks dat de vindplaatsen door hedendaags grondgebruik verstoord zijn en de organische resten al duizenden jaren geleden zijn vergaan, bieden ze op allerlei punten een schat aan informatie. Zoals over de herkomst en bewerking van stenen grondstoffen, over typen werktuigen en over sporen van gebruik. Gegevens over de functie van kampementen kunnen ook worden ontleend aan de ligging in het landschap en de afstand tot grondstofbronnen en waterlopen. Een lage gaafheid hoeft dus niet te leiden tot een lage informatiewaarde.


Verstoorde vindplaatsen lenen zich voor het vergaren van kennis, als tenminste de vragen in het onderzoek en de strategie van het veldwerk goed op elkaar zijn afgestemd. Bewerkte vuursteen uit het kampement van Eyserheide. Van een kern heeft een vuursteenbewerker afslagen en klingen verwijderd. De meeste hiervan zijn teruggevonden en konden op de kern worden gepast.


Het vroegere landschap
Behalve onderzoek van de archeologische resten zelf is inzicht in het landschap uit de steentijd dus van grote waarde. In Nederland bevindt zich een groot aantal zogenoemde pingoruïnes, met name in de noordelijke provincies en op de Veluwe. Deze geologische verschijnselen zijn ontstaan in de koudste fase van de laatste ijstijd. Oorspronkelijk bestonden zij uit een ijskern in de grond. Na het smelten van het ijs veranderden ze in kleine meertjes, omgeven door een wal van zand.


Lange tijd was de algemene opvatting dat prehistorische jagers en verzamelaars een sterke voorkeur hadden voor het wonen op ringwallen. Ze voorzagen in droge grond in een voedselrijke omgeving bij open water. Een relatie tussen pingoruïnes en bewoning in de steentijd lijkt echter minder sterk dan gedacht. Het neemt niet weg dat pingoruïnes, maar ook vennen en beekdalen, volop
aandacht verdienen. Niet alleen kunnen ze belangrijke botanische resten bevatten, ook worden verlande pingoruïnes en beeklopen bedreigd met uitgraven bij het ontwikkelen van natuur. Hierdoor gaan belangrijke informatiebronnen over
het landschap en de vegetatie in het verleden verloren.


Cruciale punten
Als ook verstoorde overblijfselen uit de steentijd uit het oogpunt van kenniswinst en archeologische monumentenzorg van belang zijn, moeten dan alle steentijdvindplaatsen worden behouden? Of, als behoud niet mogelijk is, moeten ze dan altijd worden opgegraven? Het antwoord is nee. Voor de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed is bijvoorbeeld een criterium dat de vindplaats
een cruciaal begin- of omslagpunt markeert in de Nederlandse geschiedenis. Zoals de vroegste bewoning van ons land door moderne mensen, de domesticatie van dieren en gewassen, of overgangen tussen culturen.


Een ander criterium is dat de vindplaats belangrijke vragen uit de Nationale Onderzoeksagenda Archeologie kan helpen beantwoorden. De samenstelling van grondstoffen of werktuigen kan bijvoorbeeld bijzonder zijn, er kunnen organische resten voorkomen of er kunnen overblijfselen van een woonstructuur gevonden zijn. Maar ook resten die zeldzaam zijn wat betreft datering of met een afwijkende landschappelijke ligging komen in aanmerking voor behoud of nader onderzoek. Als er wordt besloten tot opgraven, dan moet het onderzoek leiden tot kenniswinst die als belangrijk wordt ervaren en die niet of
moeilijk ergens anders te vergaren is.


Nieuw initiatief
Met uitzondering van de archeologische rijksmonumenten, waarvoor de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed aan de lat staat, zijn gemeenten tegenwoordig verantwoordelijk voor de zorg voor het zogeheten bodemarchief. Dat is inclusief resten uit de steentijd die tijdens bijvoorbeeld een boor- of proefsleuvenonderzoek worden ontdekt. Als iedere andere vindplaats maken die deel uit van het reguliere traject van archeologisch onderzoek. Daarmee vallen deze resten in de regel buiten het blikveld van Rijk en universiteiten.


Belangrijke vraag is dan ook: hoe gaan de gemeenten om met de zorg voor het bodemarchief uit de steentijd? En aan de hand van welke criteria selecteren zij vindplaatsen voor behoud of opgraven? In februari hebben het Convent van Gemeentelijke Archeologen in Nederland en de Rijksdienst afgesproken dat ze gaan samenwerken met als gezamenlijk doel een zorgvuldige omgang met overblijfselen uit de steentijd. Ook de universiteiten en overige archeologische organisaties worden hierbij betrokken.


De insteek van de Rijksdienst is dat de mate van gaafheid niet doorslaggevend is voor het besluit om archeologische resten uit de steentijd wel of niet te behouden of op te graven. Wat telt zijn de vragen die de archeologische gemeenschap aan het bodemarchief stelt en de bijdrage die een vindplaats aan het beantwoorden ervan kan leveren. Een belangrijke taak voor de tweede helft van dit jaar is om deze vragen helder te krijgen en aan te scherpen.


Eelco Rensink is senior onderzoeker vroege prehistorie pleistoceen en BjØrn Smit is senior onderzoeker vroege prehistorie holoceen, beiden bij de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed, e.rensink@cultureelerfgoed.nl & b.smit@cultureelerfgoed.nl.