Jonge inspectie voor oude gebouwen

Nederland telt bijna 60.000 rijksmonumenten. Panden op leeftijd waar wel eens iets aan moet worden vertimmerd. Aantasting van de identiteit van het gebouw ligt dan op de loer. De nog jonge Erfgoedinspectie houdt de waardevolle oude panden in de gaten om te voorkomen dat cultuurhistorie verloren gaat.


Bron: Handhaving
Tekst: Jeroen Reijke


Een krakende vloer, een tochtig dak en lang niet alle ramen, die trouwens veel te klein zijn, kunnen altijd open. Wonen in een monumentaal pand is niet altijd een pretje. Sommige eigenaren willen dan ook af en toe eens flink de bezem door hun eigendom halen en links en rechts iets verbouwen. Door de speciale status van het pand mag dat niet zomaar. Wie iets wil veranderen aan een rijksmonument, moet zich aan strikte regels en voorschriften houden. En de gemeente moet erop toezien dat dit op een goede manier gebeurt. Jarenlang was er echter nauwelijks toezicht op de monumentenzorg van gemeenten. De komst van de Erfgoedinspectie in 2005 bracht daar verandering in. Een jonge organisatie, onderdeel van het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, die in de handhavingswereld nauwelijks bekendheid geniet. Daarom ging HandHaving mee op inspectie in het Limburgse Valkenburg aan de Geul.


Wanneer de eigenaar van een rijksmonument iets wil verbouwen aan zijn pand, dan is het de taak van de gemeente om te beoordelen of dit correct gebeurt en of die werkzaamheden de identiteit van het pand niet schaden. „De historische achtergrond
mag namelijk niet worden verloochend”, legt hoofdinspecteur Hans Magdelijns van de Erfgoedinspectie uit. De gemeente heeft het eerstelijns toezicht, de Erfgoedinspectie zit op de tweede lijn. Magdelijns: „We kijken dus niet specifiek naar de verbouwing
zelf, maar naar de strategie van de gemeente. Op basis waarvan heeft het gemeentebestuur besloten om wel of geen monumentenvergunning – een toestemmingsbewijs om een monument te herstellen, verbouwen of te slopen – af te geven. En is dat besluit in lijn met de Monumentenwet.”


Papierwerk
„Onze inspectie in een gemeente begint altijd met een bureauonderzoek”, zegt Albert van Engelenhoven, coördinator van de controle in Valkenburg. Vooraf stuurt een gemeente relevante informatie op: een monumentennota, verordeningen en een lijst met rijksmonumenten die de laatste vijf jaar zijn verbouwd. „Die documenten geven al een beeld van hoe de gemeente omgaat met de zorg voor oude panden.” De dossiers van de panden controleren de inspecteurs ter plaatse. „Aan de manier waarop een gemeente die bijhoudt, kun je ook veel afleiden”, doceert Van Engelenhoven. „Er hoort bijvoorbeeld een overzicht in te zitten van alle uitgevoerde verbouwingen, inclusief de daarbij behorende documenten. Verder letten we scherp op de aanwezigheid
van een cultuur- of bouwhistorisch onderzoek dat vóór de verbouwing is uitgevoerd. Daaruit blijkt welke waarden karakteristiek zijn voor het pand en dus sowieso behouden moeten blijven. Zo’n onderzoek is niet wettelijk verplicht, maar de restauratiearchitecten en de gemeente laten zo wel zien dat ze oog hebben voor de identiteit van een pand. Dat is in onze
ogen een groot pluspunt en een teken dat ze serieus met monumentenzorg bezig zijn.”


Enthousiaste ambtenaar
De documentatie blijkt in Valkenburg voldoende in orde. Weliswaar is er bij lange na niet voor alle gebouwen een grondig bouwhistorisch onderzoek uitgevoerd, maar de inspecteurs concluderen dat de gemeente in ieder geval beslissingen neemt op
basis van duidelijke opvattingen over monumentenzorg. „Het is een feit dat er zelden onderzoek wordt gedaan naar de geschiedenis van een pand. Daar proberen we verandering in te brengen door het telkens weer aan te geven. Zorgelijk in Valkenburg is dat er maar weinig van hun beleid op papier staat.” De kwaliteit van de zorg wordt hier bepaald door het enthousiasme van de verantwoordelijke ambtenaar, maar wat als hij vertrekt? „Juist het ontbreken van een concrete nota
maakt het mogelijk dat zijn opvolger totaal andere beslissingen kan en mag nemen.” Volgens de gemeente is het ontbreken van een nota een gevolg van een gebrek aan tijd en geld. Een probleem waar niet alleen Valkenburg mee te maken heeft. „Het gebeurt vrij veel dat de ambtenaar die verantwoordelijk is voor de monumentenzorg ook nog sport en cultuur of iets dergelijks
in zijn portefeuille heeft. Niet ideaal, wel begrijpelijk. In een goede zorg voor monumenten gaat nu eenmaal veel tijd zitten. Dat lukt niet met een dag per week.”


Gesprekspartners
De inspectie in Valkenburg duurt twee dagen. „Tijdens zo’n bezoek willen de inspecteurs met alle sleutelfiguren binnen de monumentenzorg spreken. Van Engelenhoven. „Hier zijn we vanmorgen begonnen met een bespreking met de monumentenambtenaar, zijn teamhoofd en de verantwoordelijke wethouder.” Maar ook een gesprek met de plaatselijke historische verenigingen staat op het programma. „Vaak maken zij zich zorgen over hoe het met de monumenten in hun
gemeente gaat, maar dan vanuit de invalshoek van mensen die een passie hebben voor behoud van erfgoed.” Een belangrijke informatiebron dus voor de inspecteurs, omdat de meeste partijen die zij spreken bij een bezoek, over het algemeen toch altijd op een of andere manier zijn gelieerd aan de gemeente. Van Engelenhoven benadrukt wel dat de verenigingen doorgaans vooral hun eigen belangen behartigen en dus moeten de inspecteurs alle informatie zeker nog een keer verifiëren.
„De historische vereniging van Valkenburg vertelde ons bijvoorbeeld dat er ideeën zijn om de ruïne van het Kasteel van Valkenburg volledig te herbouwen”, zegt Van Engelenhoven. „Iets waar de gemeente ons niets over had verteld. Toen wij hen daarmee confronteerden bleken er meer soortgelijke ideeën te zijn geweest. Deze strandden tot nu toe echter allemaal.”
Valkenburg wil haar historische karakter versterken en vergane glorie herstellen om het toerisme te bevorderen. De Erfgoedinspectie heeft enige zorg over die ambitie. „Een complicerende factor is dat niemand precies weet hoe de panden eruit zagen en historiserend bouwen – nieuwbouw die de schijn heeft historisch te zijn – is niet gewenst.” De inspectie heeft dan liever dat er een duidelijk onderscheid wordt gemaakt tussen het oude bouwwerk en de nieuwbouw door bijvoorbeeld
nieuwe bouwmaterialen te gebruiken. „Daar zitten natuurlijk wel grenzen aan. Je kunt niet zomaar alle houten kozijnen van een rijksmonument vervangen door kunststof.”


Advisering
Nederlandse gemeenten moeten zich door twee partijen laten adviseren wanneer zij een aanvraag voor een vergunning in behandeling nemen: de eigen monumentencommissie (een onafhankelijk adviesorgaan – zie kader) en de Rijksdienst voor
Archeologie, Cultuurlandschap en Monumenten (RACM). Door een wetswijziging vervalt de adviseringsplicht van de RACM vanaf 1 januari 2009 in de meeste gevallen. Volgend jaar neemt het belang van de gemeentelijke commissie dus fors toe en wordt het nog belangrijker dat deze uit deskundigen bestaat. De samenstelling van de Valkenburgse monumentencommissie blijkt nogal eenzijdig te zijn: alle leden zijn restauratiearchitect. „Dat is op zich al niet wenselijk, maar ze zijn ook allemaal actief als architect in Valkenburg”, zegt Van Engelenhoven. „Het komt er dan dus op neer dat de leden een advies moeten uitbrengen over hun eigen werk en dat van hun commissiegenoten.” Toch heeft Van Engelenhoven, die van huis uit bouwhistoricus is, wel begrip voor deze situatie. „Geschikte kandidaten zijn dungezaaid in Nederland. Met dat in het achterhoofd verdient de gemeente zeker een compliment, omdat ze in ieder geval een poging heeft gedaan een deskundig panel samen te stellen.”


Praktijk
Een inspectie in een gemeente blijft uiteraard niet beperkt tot de administratie en gesprekken. Uit een lijst van rijksmonumenten die in de laatste vijf jaar zijn verbouwd, kiezen de inspecteurs er zes waar ze een kijkje nemen. „Bij die bezoeken spreken we ook altijd met de eigenaar of de restauratiearchitect. Zij kunnen ons namelijk eveneens waardevolle informatie geven over waarom bepaalde beslissingen zijn genomen. In hoeverre hebben zij dat overlegd met de gemeente en hoe reageert de gemeente op hun plannen?” Van Engelenhoven beaamt dat het bekijken van een paar monumenten slechts een steekproef is, maar vindt de daaruit voortvloeiende informatie toch representatief. „Wij controleren immers niet de verbouwing zelf, maar het beleid daarachter. En dan zijn zes objecten voldoende om een gefundeerd oordeel te kunnen vormen.”
Wanneer de inspecteurs alle gewenste partijen hebben gesproken en zes objecten in de gemeente bezocht, volgt het slotgesprek met de gemeente. Voor de inspectie dé gelegenheid om de ambtenaren te confronteren met de bevindingen en eventueel aanvullende vragen te stellen. Daarna wordt er een concept-rapport geschreven. Als de gemeente met de inhoud akkoord gaat, wordt het definitieve rapport gepubliceerd op internet. Opvallend is dat de gemeente niet verplicht is de aanbevelingen op te volgen. Toch verwacht Magdelijns dat zij dit wel gaan doen. „De wetswijziging die zegt dat het RACM zich gedeeltelijk moet terugtrekken, bepaalt ook dat de gemeenten meer verantwoordelijkheid krijgen voor hun rijksmonumenten. Onze aanbevelingen kunnen hen daarbij helpen. En omdat we nu al de vinger op de zere plek hebben gelegd bij een aantal gemeenten, kunnen zij straks niet zeggen dat zij daar niets vanaf wisten.”


Problematiek
Gebrek aan tijd, geld en deskundigheid. Dat zijn de grootste pijnpunten in het Nederlandse monumentenbeleid. Valkenburg is daarop volgens Van Engelenhoven geen uitzondering. „Illustratief is het gegeven dat de verantwoordelijke ambtenaar in deze gemeente zich officieel slechts één dag per week met monumentenzorg mag bezighouden. Meer budget is er niet, ondanks het toeristische belang.”
Daarnaast is het opleidingsniveau van de ambtenaren in deze tak van sport in veel gemeenten onder de maat. „Soms hebben zij niet eens een bouwkundige achtergrond. Gelukkig was dit in Valkenburg wel het geval, maar ook daar had het beter gekund.”
De ideale gemeenteambtenaar die het monumentenbeleid uitvoert, is volgens Van Engelenhoven iemand met een bouwhistorische achtergrond en technische bouwervaring. „Het is enorm belangrijk dat de verantwoordelijke ambtenaar kennis van zaken heeft. Die persoon moet er namelijk onder andere op toezien dat de restauratie goed wordt uitgevoerd. De mensen die het uitvoeren zijn over het algemeen namelijk ook niet altijd deskundig genoeg. Dus de gemeente moet dan aan de bel kunnen trekken.”


Weinig dwangmiddelen
Om ervoor te zorgen dat gemeenten goed omgaan met rijksmonumenten, heeft de Erfgoedinspectie slechts een beperkt arsenaal dwangmiddelen. Toch zien zij dit niet als een nadeel. „Betere naleving door te straffen is niet het doel van onze inspectie”, zegt hoofdinspecteur Hans Magdelijns. „Wij proberen juist te helpen om het monumentenbeleid nóg beter te maken. Iets dat je ook terugziet aan de coöperatieve houding van gemeenten. Overigens is het ook niet zo dat wij alleen als hulp worden gezien. Eerder als iemand die hen een keer de spiegel voorhoudt en dat kan natuurlijk bij tijd en wijlen erg nuttig zijn.”
Daarnaast publiceert de inspectie alle rapporten op haar website. Na een jaar controleert de Erfgoedinspectie wat er met de aanbevelingen uit de controlerapporten is gedaan. „Is er niets verbeterd, dan maken we dat ook openbaar. „Geen enkel gemeentebestuur vindt het prettig als zij in de publiciteit komen, omdat ze taken niet goed uitvoert. Dat geeft immers imagoschade.”


‘Eén commissielid’
Op 1 januari 2009 wijzigt de monumentenwet en krijgt de gemeentelijke monumentencommissie een centrale rol in het beoordelen van de meeste verbouw- en restauratieplannen. Alleen bij grote verbouwingen volgt er nog een rijksadvies. Daarom is het vreemd dat er tot nu toe geen eisen worden gesteld aan de samenstelling van een monumentencommissie. Magdelijns:
„Dat is zorgwekkend. Er zijn gemeenten waar de wethouder ook voorzitter van de monumentencommissie is of waar de commissie uit één lid bestaat. In zo’n situatie kan er nooit een objectief en onafhankelijk advies worden gegeven. Maar dat is wel de opdracht.” Magdelijns geeft een profiel van de ideaal samengestelde monumentencommissie. „Het mooiste is als je verschillende expertises bij elkaar hebt. Een restauratiearchitect, een bouwhistoricus, een cultuurhistoricus, een stedenbouwkundige en een archeoloog.”


Nadere inlichtingen:
Hans Magdelijns, Erfgoedinspectie, tel. 070 – 412 40 12, magdelijns@erfgoedinspectie.nl, www.erfgoedinspectie.nl