Al ‘archeo-proof’?

Bron: VNG-gemeentedagen Speciaal Congres Magazine 5 en 6 november 2008


Gemeenten moeten voortaan ‘archeo-proof’zijn. “Nee”, corrigeert beleidsmedewerker monumenten en archeologie Gerard Koster van de VNG: “Ze moeten ‘Malta-proof’ zijn.” Koster verwijst naar het Verdrag van Malta, ook wel bekend onder de naam Verdrag van Valetta, de Malteser hoofdstad waar de overeenkomst in 1992 werd ondertekend. De afspraak was (overigens binnen de Raad van Europa, niet binnen de Europese Commissie) dat de Europese landen zich voortaan zouden inspannen hun archeologische erfgoed te beschermen. Dat kwam namelijk steeds meer in het gedrang als gevolg van de economische welvaart. Nederland heeft het verdrag daarop snel geratificeerd, niet in de laatste plaats omdat toenmalig staatssecretaris Hedy d’Ancona van WVC hier flink aan trok. Het pad naar nationale wetgeving was aanzienlijk langer.


September vorig jaar zag dan eindelijk de Wet Archeologie Monumentenzorg het levenslicht en zijn de uitgangspunten van Malta wettelijk omlijst, een vernieuwingsslag voor de oude Monumentenwet uit 1988. Dat uitgangspunt luidt: behoud archeologisch erfgoed zoveel mogelijk op de plek zelf en ga alleen in uiterste nood opgraven. De Malta-stelregel werd voorzien van een typisch Nederlandse vondst. Als er toch gegraven moet worden, laat de ‘verstoorder’ er dan voor betalen, in de meeste gevallen de projectontwikkelaar.”Het Verdrag van Malta heeft zijn schaduw overigens allang vooruitgeworpen”, zegt Koster. “Na de ondertekening ervan zijn provincies – met hun cultuurhistorische waardenkaarten – en gemeenten al begonnen met het aanwijzen van precaire gebieden in het bestemmingsplan.”


Gemeenten hebben met de wetswijziging meer bevoegdheden maar ook verantwoordelijkheden gekregen. Ze worden ze geacht zo vroeg mogelijk in het r.o.-proces ontwikkelaars op mogelijke archeologische omstandigheden te wijzen. “Vroeger stak men de schop in de grond, ontdekte men wat en werd er actie ondernomen. Nu moeten gemeenten al op voorhand ontwikkelaars op potentiële verstoring van het bouwproces wijzen.”, vertelt Koster. “De essentie is dat de verstoorder geïnformeerd moet worden. Veel gemeenten weten dat nog niet, omdat de wetgeving nog relatief nieuw is. Maar achterover leunen is er niet meer bij.”


Voor gemeenten betekent het dat ze de nodige archeologische kennis en kunde in huis moeten halen. Ze kunnen niet langer profiteren van de provincie, die wel deskundig is, aangezien met de nieuwe Wro (Wet ruimtelijke ordening) de provinciale toetsing van bestemmingsplannen is komen te vervallen. “Provincies kunnen de archeologie weliswaar als provinciaal belang aanwijzen in hun verordening, maar niet alle provincies doen dat. Er wordt namelijk wisselend met de nieuwe Wro omgegaan.”


Enigszins geruststellend mag zijn dat de gemeenten die Koster bezoekt, vaak wel al met het onderwerp bezig zijn. “Er zijn nu nog heel weinig conflicten bekend met verstoorders die een rekening gepresenteerd hebben gekregen.” Daarnaast zijn de archeologische diensten van een veertigtal veelal grote gemeenten erg actief, constateert Koster. “Andere omliggende gemeenten weten hun weg daarheen wel te vinden.”Het is ook een kwestie van inhuren en samenwerken, vindt Koster. Westland heeft bijvoorbeeld aansluiting gevonden bij Delft. De Drentse gemeenten maken gebruik van een regionaal verband van archeologen. “Gemeenten vinden hun weg wel. Maar het is de vraag of de archeologie op het platteland voldoende bescherming geniet en de gemeenten daar hun verantwoordelijkheden kennen. Dat is beslist van belang.” De VNG komt overigens zo snel mogelijk met een handreiking over dit onderwerp.