Opgravingsvergunning

Op grond van artikel 45 van de herziene Monumentenwet 1988 is het verboden om opgravingen te doen zonder of in afwijking van een opgravingsvergunning van de minister van OCW. Een vergunning kan worden verleend als de aanvrager aantoont dat hij bekwaam is. Een opgravingsvergunning kan onder beperkingen worden verleend. In artikel 46 staan de voorschriften voor de opgravingsvergunning vermeld en in artikel 47 staat dat intrekken mogelijk is. Artikel 47a maakt opgraven in een bij de in de oorspronkelijke vergunning genoemde aansluitende zone mogelijk. De nadere regels voor het verlenen van een opgravingsvergunning staan vermeld in het Besluit Archeologische MonumentenZorg (BAMZ),

Eisen aan een opgravingsvergunning

De BAMZ is een Algemene Maatregel Van Bestuur (AMVB) op basis van de Wet op de Archeologische MonumentenZorg (WAMZ). Aan een organisatie die een opgravingsvergunning aanvraagt worden de volgende eisen gesteld (art. 17 BAMZ):

  • zodanig ingericht zijn dat een goed kwaliteitsniveau voor het doen van opgraven is gewaarborgd;
  • beschikken over voldoende faciliteiten om vondsten te conserveren en tijdelijk op te slaan;
  • financiëel gezond zijn;
  • beschikken over goed opgeleid (leidinggevend) personeel met werkervaring zonder strafblad.

Daarom dient de aanvraag van een vergunning vergezeld te gaan van bewijsstukken zoals deze genoemd worden in art. 18 van de BAMZ. Hiertoe behoren o.a. een organisatieplan. Daarnaast dient te worden aangetoond dat de vergunningaanvrager zorgt voor onderhoud van de (archeologische) kennis en vaardigheden van de organisatie en zich laat leiden door wetenschappelijke inzichten, en is aangesloten bij een archeologische beroepsvereniging. Indien de organisatie van de aanvrager nog niet aan de eisen voldoet, maar de verwachting bestaat dat dit wel binnen afzienbare tijd het geval zal zijn, kan een tijdelijke vergunning worden verleend.

Beperkingen

Aan de opgravingsvergunning kunnen beperkingen worden gesteld. Dit geldt voor de aard van de uit te voeren werkzaamheden, het doel, de tijdsduur of het gebied, waar de archeologische werkzaamheden zullen plaatsvinden (art. 19 BAMZ). Zo wordt een opgravingsvergunning aan het Rijk uitsluitend verleend voor het doen van opgravingen in het kader van ontwikkeling en innovatie van kennis over het behouden en beheren van archeologische monumenten of voor de aanwijzing daarvan (art. 20 BAMZ). De archeologische activiteiten van de Provincie of gemeenten zijn geografisch tot hun eigen grondgebied beperkt (art. 21 BAMZ) en de universiteiten zijn beperkt in het doel van hun opgravingsactiviteiten die wetenschappelijk van aard dienen te zijn (art. 22 BAMZ).

Voorschriften

Bij de naleving van de voorschriften zoals in art. 46 van de Monumentenwet zijn opgenomen, of bij het doen van opgravingen houdt de vergunninghouder zich aan de normen die in de archeologische beroepsgroep gelden voor het doen van opgraving (art. 24, lid 1 BAMZ). Indien de vergunninghouder voldoet aan de Kwaliteitsnorm Nederlandse Archeologie of onderdelen daarvan, is het aannemelijk dat hij hieraan voldoet (art. 24, lid 2 BAMZ). In de Regeling Archeologische MonumentenZorg (RAMZ, art. 4), is opgenomen dat de versie die hiervoor wordt gebruikt versie 3.2 is. Als onderdelen van deze versie worden aangewezen: het Protocol Inventariserend Veldonderzoek; het Protocol Opgraven; het Protocol Archeologische begeleiding; en Protocol en Leidraad Programma van Eisen. De vergunninghouder dient er voor te zorgen dat een ieder in zijn organisatie die zich daadwerkelijk bezighoudt met het doen van opgravingen zijn kennis en vaardigheden onderhoudt en zich bij zijn archeologische handelen laat leiden door actuele en in brede archeologische kring aanvaarde wetenschappelijke inzichten (art. 25 BAMZ).

Aanvraag bij de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed

De Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed voert de toetsing van de aanvraag voor een opgravingsvergunning uit. Voor bestaande vergunninghouders met een vergunning voor onbepaalde tijd is een overgangsrecht van twee jaar van toepassing. Een overzicht van de verleende opgravingsvergunningen bevindt zich op de website van de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed. Hier is ook de informatie te vinden over hoe de opgravingsvergunning moet worden aangevraagd.

Wat is opgraven?

Onder het doen van opgravingen wordt ook begrepen ‘het doen van boringen die worden uitgevoerd in het kader van een inventariserend veldonderzoek met als doel het opsporen of onderzoeken van monumenten’. Alle bedrijven en instellingen die opgraven en boren zijn dus vergunningplichtig. Een bedrijf kan zich ook vrijwillig laten toetsen op de niet-vergunningplichtige werkzaamheden advisering en gespecialiseerd onderzoek. 

Op de website van de Stichting Infrastructuur Kwaliteitsborging Bodembeheer (SIKB) vindt u onder het submenu ARCHEOLOGIE > vergunninghouders archeologie een overzicht. Hierin staan bedrijven in overeenstemming met de specificaties van de Kwaliteitsnorm Nederlandse Archeologie (KNA). 

In het overzicht staat aangegeven welke vergunninghouders het betreft en of er sprake is van een beperking. Een beperking is bijvoorbeeld de bepaling dat de vergunninghouder vergunning heeft aangevraagd en gekregen voor  het doen van prospectie door middel van booronderzoek.

Vergunninghouders: bedrijven en overheden met een opgravingsvergunning. Deze zijn vervolgens nog weer op te delen in:
- Bedrijven met een landelijke opgravingsvergunning;
- Organisaties met een regionale of gemeentelijke opgravingsvergunning.

Eind 2014 is er gestart met de uitwerking van een kwaliteitssysteem voor de Nederlandse archeologie op basis van certificering voor alle in de KNA beschreven werkzaamheden beginnend met het Programma van Eisen en het Bureauonderzoek tot en met Depotbeheer. De certificering wordt voorbereid in het kader van de aanstaande Erfgoedwet en moet operationeel zijn als deze wet in werking treedt (naar verwachting op 1 januari 2016). 



Laatst bewerkt op 20-08-2015